Liquidatiebelasting – Incorporatie van reserves in kapitaal

2013-09-26

Incorporatie

Om deze toekomstige bittere pil wat te verzachten en om te vermijden dat vennootschappen massaal zouden liquideren, is er een overgangsmaatregel voorzien waarbij de belaste reserves worden geïncorporeerd in het maatschappelijk kapitaal. Op het moment van de incorporatie is er 10% RV verschuldigd. De omgezette reserves worden daardoor gestort kapitaal en kunnen later belastingvrij worden uitgekeerd.

Van belaste reserves

De enige reserves die in het kapitaal kunnen worden geïncorporeerd zijn de belaste reserves die goedgekeurd werden door de algemene vergadering ten laatste op 31 maart 2013 en die uitgekeerd mogen worden. De wettelijke reserves en de reserves die door de statuten onbeschikbaar gemaakt zijn, komen niet in aanmerking.

Vermits bijzonder weinig vennootschappen die per kalenderjaar boekhouden hun jaarvergadering hebben vóór 31 maart van het daaropvolgende jaar, zullen de meeste vennootschappen enkel de belaste reserves kunnen incorporeren die blijken uit de jaarrekening per 31/12/2011. Gebroken boekjaren sluiten meestal af op 31 maart, 30 juni of 30 september. Deze vennootschappen zullen reserves kunnen incorporeren die blijken uit de jaarrekeningen van respectievelijk 31/3/2012, 30/6/2012 en 30/09/2012 voor zover de jaarrekening goedgekeurd werd op 31 maart 2013.

Timing

De wet bepaalt dat de basis waarop de reserves geïncorporeerd worden, dient gebaseerd te zijn op het laatste boekjaar dat afgesloten wordt vóór 1 oktober 2014. Concreet betekent dit dat vennootschappen met een boekhouding per kalenderjaar die gebruik willen maken van deze overgangsmaatregel en waarvan de jaarvergadering over het boekjaar 2012 plaatsvond na 31 maart 2013 nog vóór het einde van dit jaar de kapitaalverhoging moeten hebben doorgevoerd.

Spelregels

De techniek van incorporatie van belaste reserves in kapitaal geldt echter niet onvoorwaardelijk. De eerste acht jaar (voor kmo’s vier jaar) na de omzetting van de reserves in kapitaal mag er geen kapitaalvermindering gebeuren. Wordt het betrokken kapitaal sneller terugbetaald aan de aandeelhouders, dan wordt deze uitkering voor fiscale doeleinden alsnog aangemerkt als een dividend dat onderworpen zal worden aan (bijkomende) RV aan het tarief van 15%, 10% of 5% (afhankelijk van het tijdsverloop sinds de inbreng).

Antimisbruik

Vennootschappen die gebruik wensen te maken van de 10% heffing dienen er wel op toe te zien dat zij bij de winstverdeling over het boekjaar waarin de verrichting plaatsvindt voldoende gewone dividenden uitkeren. Door toepassing van een antimisbruik bepaling dienen deze gewone dividenden te worden vergeleken met de gevoerde dividendpolitiek in de loop van de 5 vorige boekjaren. Bij ontoereikende (gewone) uitkering wordt het verschil onderworpen aan een afzonderlijke aanslag van 15%. Deze aanslag speelt weliswaar enkel indien de vennootschap in het betrokken boekjaar winstgevend is, en zij in de loop van de 5 vorige boekjaren dividenden heeft uitgekeerd.